FAQ

OVERZICHT VRAGEN:

 

1. Recht op informatie van een therapeut na het overlijden van een naast familielid.

2. Slechts één van beide ouders vraagt therapie voor een kind. Kan dit?

3. Handvaten voor therapeuten bij een vraag naar attestering of rapportering.

4. Cliëntendossiers in een groepspraktijk

 

1. VRAAG:

Iemand van mijn naaste familie is uit het leven gestapt. Deze persoon was in behandeling bij een therapeut en een psychiater.
Heb ik het recht om de therapeut en de psychiater te contacteren?
Welke informatie kunnen ze mij geven?
Kunnen zij zich beroepen op het beroepsgeheim?
Wat is het recht voor nabestaanden?

ANTWOORD:

 

Deze vragen kaderen in de wet op de patiënten rechten.
Het Vlaams Patiëntenplatform vermeldt omtrent het inzagerecht:
Het dossier van een overleden patiënt kan niet zomaar ingekeken worden.

Eerst en vooral is de inzage beperkt tot een aantal nabestaanden:

  • de echtgenoot of (al dan niet) samenwonende partner
  • bloedverwanten tot en met de tweede graad (ouder, kind, broer, zus, kleinkind, grootouder)

Bovendien is de inzage dan nog gekoppeld aan een aantal voorwaarden:

  • de nabestaanden moeten een voldoende gemotiveerde en specifieke reden hebben om het dossier in te kijken. Die reden moet belangrijk genoeg zijn om de privacy van de overleden patiënt op te heffen. De inzage kan bijvoorbeeld nodig zijn in verband met een testament, een verzekeringsovereenkomst, een aansprakelijkheidsprocedure, erfelijke factoren, ...
  • de nabestaanden kunnen enkel die documenten inkijken die verband houden met deze reden
  • het recht kan enkel uitgeoefend worden via een beroepsbeoefenaar
  • de patiënt mag zich tijdens zijn leven niet tegen de inzage verzet hebben

Deze regels zijn ook conform aan de deontologie van de huisartsen.
Niettegenstaande het beroepsgeheim in principe doorloopt na een overlijden, zijn er dus uitzonderingen mogelijk.

We denken bijgevolg dat men deze kwestie kan aansnijden in een gesprek met de vroegere behandelaar(s).

Er wordt aangeraden om, als het gesprek zou plaats vinden, dit te doen met nog een andere hulpverlener erbij.
Per slot van rekening is de hulpverlener ook nabestaande.
De collega begeleidt dan het gesprek waarbij op voorhand kan afgesproken worden welke informatie al dan niet wordt doorgegeven. We kunnen ons voorstellen dat het (mee)delen van informatie die er kan toe bijdragen dat de nabestaanden minder te kampen hebben met vragen en met schuldgevoelens geen probleem hoeft te vormen, maar dat grote omzichtigheid is geboden in kwesties die conflictueus waren/zijn.
In het gesprek kan daarenboven zowel de vraagsteller als de hulpverlener (desgewenst) uiting geven aan wat het overlijden heeft betekend. Dit gedeeld verlies kan tot onderlinge verbondenheid aanleiding geven.

Men kan zeker ook eens contact opnemen met de "Werkgroep verder" http://www.werkgroepverder.be/

Naast de website, hebben zij een forum op het internet, professionelen die vragen beantwoorden, de mogelijkheid om aan te sluiten bij een zelfhulpgroep voor nabestaanden in de buurt waar ervaringen uitgewisseld worden,...

 

 

2. VRAAG

Tijdens een echtscheiding die erg moeilijk verloopt vraagt één van de ouders aan een therapeut psychotherapie voor één of meer kinderen. De andere ouder is hiervan niet op de hoogte.
- Kunnen kinderen naar een therapeut gaan omdat ze het moeilijk hebben met de echtscheiding en heeft de therapeut hiervoor de toestemming nodig van beide ouders?
- Moeten beide ouders geïnformeerd zijn dat hun kind naar een therapeut gaat?

 

ANTWOORD

Een therapeut kan ingaan op de vraag van één ouder. Zij heeft hiervoor zelfs de toestemming van de andere ouder niet nodig. Hij mag in vertrouwen uitgaan van de veronderstelling dat de vragende ouder bewust, welwillend en verantwoordelijk handelt om voor/met het kind het beste te maken van de situatie (ook inz. het co-ouderschap, bv. door de andere ouder te informeren). Het is niet aan de therapeut om hieromtrent informatie in te winnen of bevestiging te zoeken.
Als de gescheiden ouders in conflict gaan, de vraag willen dwarsbomen (bv. 'therapie is volgens mij niet nodig en ik betaal niet mee', ... ) dan is dat in principe de zaak van de ouders en kunnen zij zich eventueel wenden tot de rechtbank.  

Of het therapeutisch (visie, strategie) gepast is de vraag (op die manier) te honoreren is natuurlijk een andere kwestie. Toestemming vragen aan en bekomen van beide ouders is een uitgangspositie met een breder en hoopvoller perspectief dan werken met een situatie waarbij een betrokken partij zich niet aangesproken en erkend weet.

Als ondersteuning en inspiratie geven we nog een aantal mogelijke richtvragen, die met de ouders/één ouder kunnen besproken worden:

- Wat zijn mogelijke reacties van de andere ouder als het kind in therapie gaat? Welke ervaringen zijn er reeds geweest?
- Wat is het effect van deze ervaringen op de kinderen? Indien negatief, weegt dat op tegen het heilzame effect van een therapie?
- Als de andere ouder verwittigd wordt, wie doet dat dan best? Met welke woorden? In welke vorm (telefonisch, mail, gesprek,...)? Op welke manier kan die betrokken worden? Zijn er unieke uitkomsten in het verleden te vinden ter inspiratie?
- Wat zou de betekenis zijn voor alle partijen als er een andere therapeut of een andere vorm van ondersteuning (o.a. groepsaanbod,...) wordt ingeschakeld?
- Wat is de zinvolheid van een ouderbegeleiding voor één of beide ouders?
- ...

 

3. VRAAG

Wat doen bij een vraag naar attestering of rapportering in een therapeutisch kader.

ANTWOORD

1.   Doorgeven van informatie aan andere hulpverleners
We wisselen normaliter enkel die informatie uit die noodzakelijk is in functie van de hulpverlening.
Meestal kan de cliënt dit perfect op zich nemen. We zijn zelden beter geplaatst en moeten kunnen beargumenteren waarom we het van haar/hem zouden overnemen.
De hulpverlener aan wie informatie wordt doorgegeven is daarenboven betrokken partij in de concrete hulpverlening van de cliënt en dit in een hulpverlenende functie.
Bovendien is deze werkzaam met dezelfde finaliteit met name een therapeutische of een welzijnsfinaliteit.
Dit alles brengt met zich dat bij het doorgeven van informatie
o   men de inhoud van de informatie met de cliënt doorspreekt
o   de cliënt hiervoor zijn (schriftelijke) toestemming verleent
o   men geen inhoudelijke informatie doorgeeft als de ontvanger een controlerende of (uit)betalende instantie is
o   men zich beperkt tot de cliënt en zich niet uitspreekt over anderen

2.   Doorgeven van informatie bij doorverwijzing
Wanneer een therapie wordt overgedragen of doorverwezen, gebeurt dit in overleg met de cliënt en na diens toestemming.
De informatieoverdracht gebeurt door de cliënt zelf.
Is dit niet mogelijk of niet aangewezen om een therapeutische reden, dan overlegt de therapeut best met de cliënt om tot een formulering te komen van de over te dragen informatie, waarover de cliënt finaal zijn instemming geeft.
Zoals de cliënt de hulpverlener niet kan ontslaan van het beroepsgeheim zo kan hij ook niet opleggen meer of anders te rapporteren dan de therapeut zelf nuttig of aangewezen acht.
Inhoudelijk beperkt de rapportering zich tot het vermelden van de doelstellingen waaraan is gewerkt en (ev.) de methode waarmee.
De rapportering is in principe beknopt van aard.

3.   De vraag naar attestering kadert in de kwestie: wat bij verontrusting?
Er zal per casus uitgemaakt moeten worden waaraan men voorrang geeft en vanuit welke argumenten: prevaleert het beroepsgeheim of roept men hulp in?
De hulpverlener moet kunnen argumenteren waarom hij van oordeel is dat het beroepsgeheim doorbroken moet worden.
De cliënt kan de hulpverlener daarenboven niet ontslaan van het beroepsgeheim.
Schuldig verzuim moet zeker niet gezien worden als een synoniem van aangifteplicht, want er is geen verplichting om een gerechtelijke overheid in te roepen. Het is perfect mogelijk dat een andere hulpverleningsdienst ingeschakeld wordt.

Aanbevelingen:
o   Blijf niet alleen staan, bespreek de situatie met je collega's/coördinator/supervisor (en volg het stappenplan binnen de organisatie)
o   Betrek indien nodig andere expertise bv. Vertrouwenscentrum Kindermishandeling.

Richtlijnen voor het professioneel omgaan met verontrustende situaties met kinderen en jongeren:
o   Hulpverleners en hun beroepsgeheim. Waar ligt de grens als je ernstig verontrust bent?
www.steunpuntjeugdhulp.be

4. Vraag

Cliëntendossiers in een groepspraktijk.

Over het aanleggen van cliëntbestanden en de inhoud en het gebruik van het dossier kan de patiëntenrechtenwet inspiratie bezorgen (Patiëntenrechten).

Een psychotherapeut of een systeemtherapeut is echter (nog) geen beroepsbeoefenaar zoals bedoeld in KB 78 en ressorteert dus niet onder de wet patiëntenrechten. Iedereen kan zich daarenboven voorlopig nog psychotherapeut noemen.

De klinisch psycholoog en de orthopedagoog worden binnenkort wel binnen KB 78 erkend en de psychotherapie via een aparte wet als een specialisatie.

Intussen hebben uiteraard de meeste beroepsgroepen hun deontologische richtlijnen of aanbevelingen (omtrent het omgaan met cliëntinformatie) geformuleerd ten behoeve van de aangesloten leden, bijvoorbeeld de psychologen (www.bfp-fbp.be/).

En natuurlijk gelden ter oriëntering ook de algemene regels inzake de deontologie en het respect voor de privacy van de cliënt.

De wet ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer (kortweg de wet op de privacy), is van toepassing op persoonsgegevens, alle gegevens waarmee iemand geïdentificeerd kan worden.
De hoeksteen van de reglementering is het 'finaliteitsprincipe' of het 'geoorloofde doel'.
Dat houdt in dat iedereen persoonsgegevens mag verwerken, maar enkel voor vooraf duidelijk omschreven en wettige doeleinden. Daarvoor moeten drie voorwaarden vervuld zijn:
- de doelstelling van de verwerking moet duidelijk omschreven zijn
- de doelstelling moet wettelijk zijn
- de doelstelling moet kaderen binnen de activiteit van de houder van het bestand
( p.34 uit: Gids Beroepsethiek. Waarden, rechten en plichten in psychotherapie en hulpverlening van Mia Leijssen (ISBN: 9789033458897).

Dit betekent dat het delen van de (beperkte en zakelijke) cliëntgegevens enkel te verantwoorden is voor praktische kwesties, zoals het in staat zijn de cliënten te verwittigen als hun therapeut een afspraak niet kan nakomen, of voor de ‘goede werking’, zoals op de hoogte zijn dat de twee partners binnen een relatie in therapie zijn bij twee associés in dezelfde praktijk en men het uitspelen tegen elkaar wil voorkomen.

Het zal alleszins duidelijk zijn dat het hier telkens over minimale gegevens gaat, die men daarenboven regelmatig dient te evalueren/bij te werken, en dat het eigenlijke dossier de persoonlijke verantwoordelijkheid is van de individuele therapeut.
Indien er verdere cliëntinformatie dient gedeeld te worden, dan moet dit gebeuren binnen een gedeelde finaliteit (‘goede therapie’) en met instemming van de cliënt.

Wat ten zeerste is te mijden, zijn centrale dossiers die voor iedereen zo maar ter inzage zijn.
Daarvoor is er geen noodzaak, relevantie of toestemming.

In een erkend en gereglementeerd georganiseerd verband (CGGZ,CAW), kan het bestand en ook het dossier beschouwd worden als behorende tot de dienst (eerste eigenaar is eigenlijk de cliënt). Dit is niet van toepassing voor feitelijke verenigingen of associaties.
Daar werken therapeuten meestal als zelfstandigen en vormt de persoonlijke verantwoordelijkheid van de therapeut het uitgangspunt.

Dit betekent dan ook dat de therapeut de cliëntgegevens bij vertrek uit de associatie meeneemt of vernietigt.
Dit betekent ook dat in gezamenlijke cliëntsituaties in principe alleen de gegevens gedeeld worden uit de effectief gezamenlijke sessies. Als de ene therapeut bijvoorbeeld een jongere ziet en de andere zijn ouders, mogen de gegevens zonder toestemming van beide partijen niet worden gedeeld door de therapeuten.

In al deze bemerkingen lopen het juridische en het deontologische spoor eigenlijk samen.

 

De vertrouwensband met de (gerespecteerde) cliënt gaat voorop, en men verzamelt of verwerkt geen gegevens zonder zijn toestemming.